![]() |
Jobs @ De Wingerd |
|||
|
|
Werken in de ouderenzorg: een uitdaging voor jonge mensen !
In welke mate typeren deze woorden van Kahlil Gibran de basishouding van waaruit wij met ouderen omgaan? Heeft oud worden in onze beleving iets van dat positieve: “mensen die geluisterd hebben naar de stemmen van het leven”, en van hieruit richting en zin kunnen geven aan ons en hun bestaan? Of denken wij aan ouderen enkel vanuit een deficiet-model waarin oud worden synoniem wordt van ziekte en gebrekkigheid? Of denken wij helemaal niet aan ouderen? Soms krijgt men de indruk dat ouder worden in onze maatschappij een schandelijk geheim is waarover het onfatsoenlijk is te spreken. Zo mag men bijvoorbeeld aan iemand die ouder wordt niet naar de leeftijd vragen. Een auteur van stripverhalen was verplicht een hele serie over te maken omdat hij een omdat hij een stel grootouders bij zijn personages had gevoegd. “Haal die oudjes weg”, werd hem opgedragen. De manier waarop wij met oudere personen omgaan, de wijze
waarop wij gezondheidszorg uitbouwen, de wijze waarop artsen, verpleegkundigen
en andere medewerkers zich gedragen ten aanzien van de oudere is mede
bepaald door de visie die de samenleving heeft en elk van ons heeft op
oud worden en oud zijn. Ook het beeld dat de oudere van zichzelf heeft,
de wijze waarop hij dekt en voelt, wordt bepaald door het maatschappijbeeld
van waaruit wij allen leven. Misschien kunnen we op dat vlak ook iets leren vanuit de spontaniteit van kinderen. Laat even het beeld over ouderdom doordringen dat spreekt uit volgend opstel van een kind over oma. “Een grootmoeder is een dame die zelf geen kinderen heeft, maar ze houdt van de dochtertjes van anderen. Een grootvader is een man - grootmoeder. Hij gaat wandelen met de jongens en ze praten over tractors en vissen en zulks soort dingen. Grootmoeders hoeven niets anders te doen dan er te zijn. Ze zijn oud, dus ze kunnen niet druk spelen of rennen. Het is genoeg dat zij ons meenemen naar de supermarkt waar een hobbelpaard is, en zij hebben hopen centjes daarvoor bij zich. Of als zij ons meenemen op een wandeling, lopen ze zo langzaam langs leuke bloemetjes of rupsen. Ze zeggen nooit: “schiet op”. Gewoonlijk zijn ze dik, maar niet te dik om de schoenen van kinderen dicht te maken. Ze dragen brillen en grappig ondergoed. Ze kunnen hun tanden en hun tandvlees uit de mond nemen. Het is maar goed dat zij niet kunnen typen of kaartspelen, behalve met ons. Ze hoeven niet knap te zijn, alleen vragen te kunnen beantwoorden zoals: waarom honden katten haten, en hoe het komt dat God niet getrouwd is. Zij praten niet over moeilijke dingen die wij niet kunnen begrijpen. Als zij ons voorlezen slaan ze geen stukje over en het kan ze niet schelen of het alweer hetzelfde verhaaltje is. Iedereen moet er proberen één te hebben, want grootmoeders zijn de enige volwassenen die tijd hebben”. Naar ouderen kijken door de blik van kinderen is een echte uitnodiging om door vlakke opvattingen heen te kijken en te zien hoe bejaarden geen groep apart zijn, maar een deel van elk van ons. De veertiger is nu reeds 50 % van de tachtiger die hij ooit hoopt te worden. Vanuit de eenvoud van dit kinderopstel klinkt de diepe boodschap door van de onvervangbare waarde van elke oudere. Met deze gedachten proberen we iets te schetsen van wat denken aan werken in de ouderenzorg zou kunnen oproepen. Het is opvallend als wij praten met verpleegkundigen die het ziekenhuis achter zich gelaten hebben om te werken in de ouderenzorg hoe dit ervaren wordt als een voldoeninggevende wereld, met tal van zeer intense en zinvolle ervaringen. Het technisch handelen ruimt er plaats voor meer relationele contacten. De verpleegkundige is er veel meer een zelfstandig werkende persoon met mensen dan een uitvoerder van allerlei voorschriften van artsen. De vele kortstondige ontmoetingen van in het ziekenhuis, voor zover men kan spreken van echte ontmoetingen in het snelle komen en gaan in het ziekenhuis, worden ingeruild voor langdurende relaties niet alleen met de bewoners maar ook met hun familieleden. Men wordt in plaats van iemand die even wat technische bijstand verleent op een kritisch moment in het leven van de patiënt, die daarna weer onmiddellijk uit het gezichtsveld verdwijnt, een begeleider op de levensweg van bewoners en hun familieleden. Men wordt iemand die beklijft in hun leven. Niet het toevoegen van jaren aan het leven is de eerste zorg, maar het toevoegen van leven aan de jaren. In tegenstelling met de ziekenhuiswereld komt men hier veel meer binnen in de familiale wereld. Je wordt niet alleen de begeleider van bewoners maar van ganse families. Er bestaan geen bezoekuren. Familie is op elk moment welkom. Zij komen thuis in het huis van hun vader, moeder, familielid, … Als men wil dat de oudere maximale aandacht krijgt, is het ook belangrijk steun te geven aan de familie, want het impact van leven met een zorgbehoevende vader, moeder, grootmoeder of grootvader weegt zwaar op families. Als de familieleden goed worden bejegend, het gevoel krijgen erbij te horen, “brengen ze leven binnen het leven”.Elk familielid is uniek en elk van hen brengt iets binnen van het verleden van deze bewoner in zijn heden. Niet alles is verlies in de voortschrijdende ouderdom. Soms ervaren kinderen tegenover hun ouders een nieuwe en aparte nabijheid en intimiteit, die ze zelden voorheen hebben ervaren. Het is wennen aan het plotse publieke karakter van de relatie, aan de confrontatie met een soort nieuwe familie in de leefgroep, aan dienstverleners met een professionele stijl. Maar het omgaan met een vader of moeder die zo zacht en breekbaar is geworden, zo afhankelijk en toch weer in een zo eigen wereld, brengt in deze haastige wereld bij momenten een oase van onthaasting, van andere waarden, die uitnodigt tot nadenken, tot verwijlen en tot nieuwe intimiteit, die mensen anders naar mensen leert kijken. Wij zijn ervan overtuigd dat het werken in de ouderenzorg ook voor de medewerkers een wereld van zingeving kan openen die een diepere dimensie toevoegt aan hun eigen leven.
|
|||